Een Noorse Oedipus en zijn tante

 

Lars Saabye Christensen maskerade

 

Door GEURT FRANZEN

Adrian is een vreemde jongen. Op het autistische af. Zit in het vakantiehuisje liever de hele dag voor het raam, dan met zijn leeftijdsgenoten in het water te duiken. Doet hele vreemde dingen. Smeert zijn moeders rug in met room in plaats van met zonnebrandolie, zodat ze even later door een zwerm bijen wordt belaagd en vervolgens met haar rug ingezwachteld het vakantieadres vroegtijdig moet verlaten. En hij houdt erg van verkleden, Adrian. Het liefst als meisje. Is Adrian wel een jongen?

Adrian figureert in Maskerade, de nieuwe roman van Lars Saabye Christensen (1953). Van de Noor, wereldberoemd in eigen land, verscheen twee jaar geleden de prachtige roman: De halfbroer. Maskerade is minder groots en indrukwekkend dan die grote roman, maar evengoed de moeite waard. Christensen spreidt ook hier zijn talenten breeduit: zijn kernachtige dialogen, zijn bloemrijke personages en zijn kleurige beeldspraak: “Haar stem was in bont gekleed.”

Maar in Maskerade is het vooral de spanning die je meevoert. Vanaf de eerste pagina is duidelijk dat we te maken hebben met een kind waar een geheimzinnig floers omheen hangt en dat anders is dan zijn leeftijdgenoten. De manier waarop Adrian gebeurtenissen ervaart bijvoorbeeld, is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk. Lees de eerste drie zinnen: “Ik had een prettige jeugd. Mijn moeder ging vroeg naar bed. Mijn vader stierf toen ik twaalf was.” Hebben die zinnen wel wat met elkaar te maken, vraag je je af. Zeker wel. Heel snel ontdek je dat Adrian’s gevoelens voor zijn vader en moeder niets met ouderliefde te maken hebben. Als hij hoort dat zijn vader zelfmoord heeft gepleegd, is zijn eerste gedachte: dan zijn pa’s spullen voortaan van mij. Zo’n jongen dus.

Misschien komt het omdat Adrian veel op zijn tante lijkt. Meer dan hem lief is. Na de dood van vader blijft Adrian met haar en zijn moeder achter in een groot herenhuis. Omdat zijn moeder zich opsluit in haar slaapkamer – waar ze alleen nog uitkomtop de dag dat het busje van het gekkenhuis voor de deur staat – is Adrian overgeleverd aan zijn autoritaire, jaloerse tante. Het benenpakhuis, zo noemt hij haar. Hij laat geen gelegenheid onbenut om haar dwars te zitten terwijl tante op haar beurt een volledig isolement afkondigt: er komt niemand meer op bezoek. Adrian mag naar school en dat is al wat er rest aan buitenwereld voor hem.

Uiteraard is deze Adrian ook op school een buitenbeentje. Laat zich met plezier door zijn klasgenootjes opjutten om leraren voor schut te zetten. Schuwt de confrontatie met de directeur niet, nee, zoekt die zelfs op. Na een klacht over zijn lange haren komt hij op de laatste dag van een ultimatum triomfantelijk naar school. Met een hoofd vol snijwonden want twee straatschoffies hebben zijn kapsel met een bot mes, op zíjn verzoek, gekortwiekt. Zo’n jongen dus.

Waar nog iets anders niet aan klopt. Iets fysieks. Wat de vroegere huisdokter ertoe brengt hem onverwacht in zijn kruis te kijken en te laten mompelen: “Het is te laat voor een operatie.” En als een meisje zich vrijwillig aan hem geeft, loopt dat ook niet zoals het bedoeld is. Zo’n jongen.

In Maskerade draait het allemaal om een rollenspel waarin het diffuus blijft wie welke rol speelt. Het enige dat helder is, is dat niemand de rol speelt die ervan wordt verwacht. Uiteindelijk laat Christensen de apotheose plaatsvinden tijdens en rondom een heuse toneelvoorstelling. Daar speelt Adrian de rol van zijn leven: die van Oedipus. Het personage uit de klassieke tragedie waarin alle verkeerde rollen samenkomen: de zoon die zijn vader doodt, de man die zijn moeder trouwt. Waar Christensen er heel knap nog een aan toevoegt: de broer die zijn zus is. Intelligente roman uit Noorwegen. Niet laten liggen. Lars Sabye Christensen, Maskerade, vertaling Paula Stevens, De Geus, 284 blz, € 22,50.


 

De wereld wil bedrogen worden

 

Lars Saabye Christensen DE HALFBROER

Door GEURT FRANZEN
Noorse kindertjes die naar Harry Potter 2 gaan kijken, braken massaal hun magen leeg in de bioscoop, zo berichtte deze krant onlangs. Het verschijnsel schijnt alleen in Noorwegen voor te komen en het kan dan ook geen toeval zijn dat in de kloeke Noorse roman die zojuist verschenen is, De halfbroer, nogal eens moet worden gedweild omdat deze of gene de boel heeft ondergekotst. Dat laat onverlet dat er dezer dagen iets moois is neergedaald uit het hoge noorden. Een kloeke, vijf centimeter dikke roman die werd bekroond met zo'n beetje alle denkbare Scandinavische literaire prijzen en waarvan al dik 250.000 exemplaren over de toonbank vlogen.
Lars Saabye Christensen (1953) is de schrijver van dit magistrale werk. Een familiekroniek, een genre waar fjordenschrijvers een patent op lijken te hebben, maar dan wel een in een uitermate moderne stijl, zonder de oubolligheid en traagheid van de traditionele familiesagen. De halfbroer is een spiegelroman over twee broers. De oudste, Fred, is een buitenbeentje. Hij is in zichzelf gekeerd, heeft een taalachterstand en houdt er merkwaardige gedragingen op na. Zo laat hij zich ooit door zijn broertje gedurende twee dagen opsluiten in een doodskist op zolder. En als hij eens door vier opgeschoten jongens op straat wordt belaagd, laat hij zich zonder weerstand en met een grijns op zijn gezicht in elkaar timmeren. Het grootste probleem waar Fred echter mee worstelt is zijn vader. Die is namelijk onbekend. Op de dag dat de oorlog in Noorwegen ten einde komt, op 8 mei 1945, wordt zijn moeder op de droogzolder door een onbekende man verkracht. Fred is het ongewenste resultaat van die brute daad. Negen maanden later komt hij ter wereld in een taxi en hij wordt genoemd naar de dag van zijn verwekking. Want Fred betekent vrede in het Noors.
Die andere broer, de jongere, is een verlegen klein opdondertje. Maar Barnum, genoemd naar de illustere Amerikaanse circusdirecteur, is wel heel pienter en hij wordt door de schrijver als verteller van het epos opgevoerd. Barnum kijkt erg op tegen zijn broer en zal zijn leven lang worden geobsedeerd door diens individuele, onafhankelijke wijze van manifesteren. En ook Barnum zou graag weten wie de biologische vader van zijn halfbroer is.
Christensen schreef een prachtige roman, een epos dat je voor lange tijd kluistert aan huis en haard. Zijn stijl is onopgesmukt en eerlijk en het zijn niet de zinnen zelf die betoveren, maar de figuren die hij opvoert in zijn literaire piste. Waarvan de belangrijkste Arnold Nilsen is. Hij is getrouwd met de moeder van Fred en Barnum en de vader van de laatste. Een wonderlijke, eigenzinnige figuur waar je om kunt grinniken. Een overlever pur sang, een uitvreter waarvan niemand weet waar hij de kost mee verdient. Na zijn onfortuinlijke dood - hij staat in de weg als Fred zich oefent in de kunst van het discuswerpen en de discus blijkt harder dan Nilsens schedel - krijgt de kersverse weduwe een rekening van een pension: meneer Nilsen schijnt gedurende zijn gehele huwelijkse staat er een kamertje bij te hebben gehuurd. Wat of hij daar dagelijks te doen had? Niemand heeft een idee. Maar het gezin, waarvan behalve de moeder van de twee jongens ook nog een grootmoeder en overgrootmoeder deel uitmaken, wist al dat vragen stellen overbodig is. Zolang Nilsen de familie mee uitrijden kan nemen in zijn grote Buick en regelmatig met verrassingen thuiskomt, zoals een wasmachine, die midden in de nacht moet worden aangesloten, doen die vragen er ook niet toe. Zeker niet bij een man die als lijfspreuk heeft: Mundus vult decipit (de wereld wil bedrogen worden).
Wat deze mensen in hun eenvoudige flat in Oslo bindt, zijn dunne draden. Het zijn de kleine dingen die ertoe doen. De brief van overgrootvader bijvoorbeeld, geschreven tijdens een expeditie op Groenland waarvan hij niet terugkeerde, een brief die keer op keer uit de kast wordt gehaald en wordt voorgelezen. Of de koffer van vader Nilsen, een mysterieuze koffer uit de tijd dat hij nog bij een circus werkte. Na Arnolds dood wordt de koffer geopend. Op het eerste gezicht is hij leeg, maar voor wie wil, is hij boordevol gevuld met applaus.
Illusie is waar het om draait in De halfbroer. De langste van de man van de wereld in het circus waar Arnold werkte, werd bij elk optreden door de directeur opgemeten. Diens zilveren meetlint bleef elke keer steken bij 2.74 m. Applaus! Maar achter de coulissen reikt de IJslandse reus steeds niet hoger dan 2 meter en vier centimeter. De illusie keert terug op elke bladzijde. In het beroep van overgrootmoeder, een gevierd actrice uit de tijd van de stomme film, maar ook in dat van Barnum die een succesvol schrijver van filmscripts wordt. Er is echter niemand bij wie de illusie in beter handen is dan bij Arnold Nilsen. De kleine man met de verminkte hand weet zelfs na zijn dood zijn omgeving nog in de ban van de begoocheling te houden. De wereld wil bedrogen worden, het staat gebeiteld in zijn voorhoofd, maar niemand die het ziet. Het is zoals hij zijn zonen op een dag voorhoudt: het gaat er niet om wat je ziet, maar wat je dčnkt te zien.
Lars Saabye Christensen, De halfbroer, Uitgeverij De Geus, 640 blz, 32,50 euro.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Lars Saabye Christensen

 Maskerade


 

Lars Saabye Christensen

 De halfbroe


 

Lars Saabye Christensen