Gedenk te sterven

 

andre brink  DE duivelsvallei

 

Door GEURT FRANZEN

De vrouwen in de Duivelsvallei krijgen op hun trouwdag een doodskist cadeau. En in die kist brengen de jonggehuwden de huwelijksnacht door. Een nadrukkelijker uiting van memento mori (gedenk te sterven) is nauwelijks denkbaar.

In de Duivelsvallei, een fictief dal in de Zuid-Afrikaanse Swartberge, speelt zich het nieuwste boek af van André Brink (1935). Brink heeft zich in zijn werk vaak gekant tegen de Apartheidspolitiek; veel van zijn boeken werden dan ook verboden. Nu de officiële Apartheid een gepasseerd station is, wil Brink zich weer concentreren op het schrijverschap zelf, zegt hij. Verhalen vertellen, de geschiedenis reconstrueren aan de hand van de verhalen van de mensen, dat beschouwt Brink als zijn literaire opdracht.

Vijf jaar geleden sneed hij de thematiek aan in de roman Zandkastelen; ook in zijn nieuwste roman, De Duivelsvallei, gaat het om de in verhalen vervatte geschiedenis.

In de Duivelsvallei houdt zich een blanke gemeenschap staande die daar honderdvijftig jaar geleden is geworteld. Een kolonistenfamilie, onder leiding van de bezielde, godvrezende Lukas Lermiet, wendde zich af van de beschaafde wereld en bouwde onder zeer moeilijke omstandigheden een dorpje in de nauwelijks toegankelijke vallei.

De hoofdpersoon, Flip Lochner, een journalist, bezoekt de vallei. Hij wil de geschiedenis van de zonderlinge gemeenschap vastleggen. De tijd heeft er stilgestaan en de godvrezende bevolking handelt volledig naar het woord van de bijbel.  

Lochners wederwaardigheden zijn hoogst merkwaardig, en grenzen aan het onmogelijke. Zijn verblijf lijkt één grote hallucinatie. Hij raakt in de ban van een vrouw met vier borsten, hij praat met overledenen en krijgt ’s nachts harige wezens op bezoek die tuk zijn op zijn zaad (de gemeenschap gaat gebukt onder de gevolgen van veelvuldige inteelt en nieuw bloed is meer dan welkom). Gewapend met een kleine bandrecorder probeert Lochner de vreemde bewoners van de Duivelsvallei aan het praten te krijgen. Al gauw stuit de brave amateur-antropoloog op een probleem: wat is de waarheid? Want elke dorpeling vertelt een ander verhaal en zo wordt een reconstructie van de geschiedenis schier onmogelijk. Elk verhaal dat Lochner hoort, verandert het vorige. Zoals de dorpsschilder Gert Kwas elke keer als hij een schilderij klaar heeft een deel van het schilderij uitveegt en er nieuwe afbeeldingen overheen schildert, zo krijgt elk verhaal deel door het volgende een andere lading. Als Lochner de schilder vraagt: “Denk je dat ik uiteindelijk bij de waarheid zal uitkomen?” antwoordt die: “Dat hangt er maar van af wat je met de waarheid bedoelt.”

Langzaam komt de journalist tot het besef dat de waarheid er eigenlijk niet toe doet: “Met de leugens van verhalen vormen we onszelf zoals de eerste mens uit de klei van de aarde werd gevormd. (...) We verzinnen een verleden waarmee we kunnen leven, een verleden dat een toekomst mogelijk maakt, ook al blijft die toekomst oneindig veranderlijk en kwetsbaar.”

Als Lochner na een reeks van belevenissen – ook hij mag een  ‘huwelijksnacht’ in een doodskist doorbrengen - de vallei achter zich laat, vraagt hij zich af of zijn exercitie wel zin heeft gehad. Hij had vermoed dat alle verhalen bij elkaar wel een geheel zouden vormen, maar het ene verhaal verglijdt slechts eindeloos in het andere. Er komt geen einde aan. Heeft hij de avonturen eigenlijk wel meegemaakt, vraagt hij zich af. Bewijzen heeft hij niet: zijn fotocamera verdween in de afgrond en zijn cassetterecorder laat enkel wat geruis horen. Misschien, zo zegt hij, “ben ik bezig als een teennagel in mijn eigen verhaal te groeien.”

Zoals alle romans van Brink is ook De Duivelsvallei een intrigerend boek. Het verhaal is heel lineair en toegankelijk opgeschreven en zit bomvol handelingen; de lezer hoeft zich niet te vervelen. Maar misschien gebeurt er wel te veel. En gaat het verhaal als een nachtkaars uit als de hoofdpersoon ongeschonden uit de strijd komt en, zo luidt diens eigen conclusie, geen steek verder is gekomen.

De essentie van de roman moeten we daarom niet zoeken in de thematiek van waarheidsvinding en reconstructie van de geschiedenis. Hoe groot hun rol ook is. Het lijkt erop dat Brink met De Duivelsvallei een satire heeft willen schrijven. Daarvoor is het reisverhaal uitermate geschikt; er is geen betere plek denkbaar dan een ver of ontoegankelijk exotisch oord waarin de verwerpelijke eigenschappen van een samenleving sterk vergroot kunnen worden en zo belachelijk worden gemaakt. Dat deed Jonathan Swift in de achttiende eeuw in de felle satire Gullivers Reizen waarin hij het sociale en politieke klimaat van Engeland aan de kaak stelde. In De Duivelsvallei richt Brink zijn vergrootglas op isolationisme, op het ontkennen van een raciaal probleem en op een eigenzinnige interpretatie van de bijbel. Dat is het Zuid-Afrika van deze eeuw. De grootste overeenkomst is echter de manipulatie van de geschiedenis – we zijn terug bij het thema – en wel wat betreft de vraag: wie was er het eerst? Het meest essentiële verhaal blijkt de grootste leugen van allemaal. Want de kolonisten van Lermiet kwamen niet al eersten in de vallei; het dal werd allang bewoond door Hottentotten en Bosjesmannen. Drie keer raden welk lot hun deel werd.

Zo blijkt Brink de maatschappijkritiek toch niet los te kunnen laten. De Apartheid heeft een te groot stempel gedrukt. Eén aspect van de satire heeft Brink ondergewaardeerd: de humor. Jonathan Swift wist de lachspieren uitstekend te bespelen. Brinks satire is echter zo droog als de Duivelsvallei zelf, waar al een jaar geen druppel regen is gevallen.  

André Brink, De Duivelsvallei, vertaald door Rob van der Veer, Meulenhoff, 391 blz, f49,90.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Andre Brink

 De duivelsvallei


 

Andre Brink