Terug naar de zee, de zee die neemt

 

john banville de zee

 

Door GEURT FRANZEN

De zee en de dood zijn klassieke maatjes in de literatuur. In John Banville’s roman De zee, vorig jaar gelauwerd met de Bookerprize, zijn beide nadrukkelijk aanwezig en de pijlers waarop Banville zijn indringende verhaal heeft geschraagd.

In De zee schreeuwen heden en verleden afwisselend om aandacht in een schijnbaar ongecontroleerde chronologie. Alles in een stijl die bijna verdrinkt in zijn eigen volheid aan woorden. Zoals de afbeelding op de voorkant van de roman zo prachtig symboliseert: een schilderij van de expressionist Emil Nolde, zware klodders verf, op het doek gebracht in een brede kwaststreek, een onstuimige zee en een al even onstuimige wolkenlucht daarboven. Zo verzadigd is ook de taal in deze roman.

Terwijl het verhaal dat in deze woordenbrij komt bovendrijven, er een is van somberheid en magerte, dat zich, ontleed tot op de kern, met een enkele streek zou laten tekenen. Hetgeen nog meer geldt voor de hoofdpersoon, een kleurloos introvert type dat zich geketend voelt aan een enkele gebeurtenis in het verleden. Een met grote impact, dat wel.

Max Morden, zo heet deze hoofdpersoon. Hij is kunsthistoricus en op het moment dat wij met hem kennismaken, wentelt hij zich in rouwbeklag. Zijn vrouw Anna is kortgeleden door kanker geveld. Het contact met zijn enige dochter is kil en onpersoonlijk. Over het leven dat deze boekenwetenschapper heeft geleid, valt weinig schokkends te melden. Banville’s creatie is de zoon van een zeer eenvoudig echtpaar dat uit elkaar gaat als de jongen, enig kind, een jaar of tien is. Max weet aan het milieu te ontsnappen door driftig te studeren en door op het juiste moment tegen een vrouw aan te lopen die barst van het geld. Een leven zonder veel reliëf is het gevolg. Grootste rimpel is de dood van Anna, maar dan is Max de vijftig al ruimschoots gepasseerd. De dood van zijn vrouw, of misschien het rouwproces dat erop volgt, werkt als de teruggevonden sleutel van een jarenlang afgesloten kamer. De kamer van Max’ jeugd, in het bijzonder van een zomer waarin hij iets heeft beleefd wat je met enig inlevingsvermogen misschien wel geluk zou kunnen noemen.

Met zijn ouders verbleef Max een zomer aan zee in een heel eenvoudig zomerhuisje., Vader en moeder kibbelen er driftig op los en de jongen vlucht dagelijks naar het strand. Hij raakt bevriend met een jongen en meisje, de tweeling Myles en Chloe. Hun ouders zijn rijk en alhoewel ze met veel dédain neerkijken op de volksjongen, accepteren ze zijn aanwezigheid. De zomer aan het strand brengt zwoele dagen en avonden met zich mee waarin de hormonen van de jonge Max zowel door de brutale Chloe als door de wulpse moeder van het stel, Conny, danig op de proef worden gesteld. Op een dag gebeurt er iets wat door de voortdurende aanwezigheid van de zee, zo’n spreekwoordelijke zee die geeft en neemt, bijna als vanzelfsprekend kan worden beschouwd.

Als Max Morden, jaren later, na de dood van zijn vrouw, zijn intrek neemt in een pension aan het strand waar hij toen zo’n gelukzalige tijd doorbracht, gaat zijn geheugen langzaam aan het graven. Stukje voor stukje bouwt hij de herinnering op. Het is of de rouw om zijn overleden echtgenote, een uitgestelde rouw in verhevigde vorm oproept.

Banville’s roman is indringend, maar dat besef komt pas op het eind. Op driekwart van De zee vraag je je af of de schrijver alleen maar een proeve van mooischrijverij heeft willen afleveren en een plot overbodig heeft geacht. Maar het einde maakt veel goed. Drama en onverwachte ontknopingen, in een opmerkelijk minder uitbundige en daardoor passende stijl, leveren uiteindelijk een droevig maar indrukwekkend werk op dat om herlezing vraagt.

John Banville, De zee, vertaald doorJan Pieter van der Sterre, Atlas, 223 blz, € 19,90.

(De Gelderlander, 6 april 2006)

 

 

 

 

 

 

 


John Banville

 De zee


Fragment 


 

John Banville

foto: Ken Irwin