|
Vlucht onder de waterspiegel
Zsuzsa Bánk, DE ZWEMMER
Er zijn twee zwemmers in De zwemmer van Zsuzsa Bánk. De eerste die niets liever doet dan met snelle slagen het water doorklieven is een vader zonder echtgenote. En de tweede is zijn zoon, een zoon zonder moeder. De echtgenote en moeder, tevens de moeder van het meisje dat het verhaal vertelt, laat op een kwade dag man en twee kinderen in de steek en verdwijnt. Ze drijft mee in de stroom vluchtelingen die in 1956 na de mislukte Hongaarse opstand het land verlaat, op zoek naar heil in het Westen. Voor al die anderen is het de ijzeren hand van het communisme die de Hongaren in een wurgende greep houdt, een greep die na de opstand alleen maar steviger wordt. Voor Katalin is het echter een vlucht uit haar huwelijk. Dat huwelijk was ooit gebouwd op een stevig fundament, dat van de ware liefde, maar zelfs de ware liefde bleek aan slijtage onderhevig. De zwemmers in de debuutroman van de Duitse, van oorsprong Hongaarse schrijfster, duiken graag in het diepe onder. Hun duiken is net zo’n vlucht als die van de vrouw die ze missen; moeten leven zonder die vrouw is een werkelijkheid is ze niet kunnen bevatten. Wat Bánk ons voorschotelt in haar sterke debuut is een intieme geschiedenis, observaties door een meisje dat haar moeder ook moet missen, maar blijkbaar meer wordt geobsedeerd door de manier waarop haar vader en broer Isti met het gemis omgaan dan haar eigen verdriet. Het leven dat de achtergebleven de man en zijn twee kinderen in het Hongarije van 1956 leiden is geen pretje. Niet alleen door de politieke gebeurtenissen en de grijsheid waarin het land wordt ondergedompeld. Vooral vaders eigenzinnige, egocentrische opstelling is daar debet aan. Hij zwalkt van stad naar stad, van familielid naar familielid, van het ene baantje naar het andere. En in zijn kielzog twee verweesde kinderen, die nauwelijks weten wat er aan de hand is en dus hun eigen verhaal componeren. Het jongetje Isti houdt lang vol dat zijn moeder maar even weg is, snel weer terug zal keren. Alhoewel hij al snel doorheeft dat dat niet de waarheid is, houdt hij voor de buitenwereld dat beeld in stand. Soms, als het water in de meertjes ook voor hem te koud is om in onder te duiken, vervalt hij in een lethargische bui (een eigenschap die de genetische verwantschap met zijn vader bewijst), of er openbaren zich paranormale gaven. Als hij zijn grootmoeder ontmoet, ziet hij zijn overleden grootvader naast haar staan. Het verhaal van het meisje is er een van observaties en de lezer reist op haar schouder met haar mee. Dat gezeul van het trio door het land levert voor die lezer aantrekkelijke beelden op. Van kleinbehuisde Hongaren in de stad die toch nog wel een plekje over hebben voor een man en twee kinderen. Van tantes en ooms op het platteland met hun eigenaardigheden, van eenvoudige wijnboeren met een groot hart en het gestuntel van hun verliefde dochter wier liefde niet wordt beantwoord. Ondertussen worden Isti en zijn zusje groter, worden de wederwaardigheden van de moeder in het verre westen druppelsgewijs bekend en krijgt het verhaal van de vertelster vorm. Een triest verhaal, nuchter verteld, maar met veel kleur en decor. De spanning en de emoties liggen onderhuids; ze roepen wel degelijk gevoelens van deernis bij ons op, maar indirect. De Zwemmer is een sterke, indringende roman waarin vele verhalen zijn verweven. Het verhaal van een zwakke, verlaten man, en twee aan hun lot overgelaten kindertjes, maar ook van het landelijke Hongarije onder het communistische juk en dat van de Hongaarse vluchtelinge, wier kijk op ‘ons’ Westen een tot nu toe onbekende was. Zsuzsa Bánk, De Zwemmer, De Bezige Bij, 283 blz.
|
Zsuzsa Bánk De zwemmer
Fragment Zsuzsa Bánk
|