Nobele wilden - gaap! - en stinkende beesten

ALLENDE, ISABEL  DE STAD VAN DE WILDE GODEN

 

Door GEURT FRANZEN

In de jungle waar Isabel Allende de lezers van haar nieuwe roman gijzelt, woont een nog niet eerder ontdekt indianenvolk dat zich onzichtbaar kan maken. Het volk van de nevel, dat een onbekende diersoort beschermt waarvan het uiterlijk elke beschrijving tart. Het beest is een kruising tussen mens, stinkdier en luiaard. Het is drie meter hoog, voorzien van klieren waaruit een stinkend goedje kan worden gespoten dat een volwassen man in enen bewusteloos doet neervallen en het heeft klauwen waarmee het tegenstanders in één haal van keel tot kruis kan openrijten. Dat de fantasierijke schrijfster een groot beroep op ons inlevingsvermogen doet, zijn we gewend. Maar in haar nieuwe roman De stad van de wilde goden maakt de Zuid-Amerikaanse het wel erg bont.

Tarzans geestelijk vader, Edgar Rice Burroughs, zou jaloers zijn geweest op haar nieuwe boek. En menig filmregisseur in Hollywood zal likkebaardend uitkijken naar het filmscript. Alle ingrediënten van zo’n ouderwetse zondagmiddagavonturenfilm zijn aanwezig. Een expeditie in de jungle, op zoek naar een geheimzinnig, gevaarlijk beest, bestaande uit een wereldvreemde professor, een aantrekkelijke vrouwelijke arts, een journaliste op leeftijd, een gespierde piloot en een onduidelijke, verdachte inlander. Plus twee kinderen, van een jaar of dertien, veertien, door wiens ogen wij deelgenoot worden van de fantastische avonturen in het Amazonegebied. Uiteraard gaat er van alles fout, vloeit er bloed en ontdekken de kleine hoofdpersonen gaandeweg dat sommige volwassen deelnemers aan de expeditie er een verborgen agenda op nahouden. De geheimen die deze expeditieleden met zich meedragen zijn de pijlers waarop Allende haar spanningsboog laat rusten. Maar stevig zijn die pijlers niet en de spanning daardoor zo minimaal dat lezen op zeker moment een voortdurend vechten tegen het gapen wordt.

Misschien ligt het wel aan de kinderen in het boek. Rasvertelster Allende heeft zich misschien iets te veel verplaatst in wat er achter die grote kinderogen schuilgaat. Waardoor de roman meer weg heeft van een kinderboek dan van een grotemensenroman. Daar is niets op tegen; volgens de uitgever richt de schrijfster zich deze keer zowel op een volwassen als een jonger publiek. Maar dat betekent niet dat een boek zwart-wit moet zijn, zonder nuancering. De edele blanke ontpopt zich als een op geld en macht beluste aasgier, de gevaarlijke indiaan die zich met zijn gifpijlen ophoudt in de donkerte van het woud blijkt een nobele wilde en de aanvankelijk onnozele egocentrische puber ontluikt als een nog niet door de giftige maatschappij aangetast kind dat in zichzelf een natuurlijke reinheid ontdekt. Jean-Jacques Rousseau, zou het allemaal wel mooi hebben gevonden, die ongerepte kinderen en die nobele wilden. Maar de Franse filosoof is al eeuwen dood en zijn terug-naar-de-natuurmoraal zinkt met elke boom die in het Amazonegebied wordt gekapt dieper in het moeras van Utopia. 

Een avonturenroman zonder veel spanning, waarin je eerder struikelt over het zwak moralistisch aangezette idee – laat de indianen in het woud met rust – dan dat je erdoor geraakt wordt. En dan te bedenken dat er nog twee delen komen. We kunnen beter wachten op de film: mooie plaatjes uit het oerwoud doen het altijd goed. Moeten ze wel opschieten; het geraas van de kettingzaag is hier te horen.

Isabel Allende, De stad van de wilde goden, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 285 blz, 17,90 euro. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Isabel Allende

 De stad van de wilde goden


Fragment 

 


 

Isabel Allende

Foto: Lori Barra