museumpaard
De
suppoost wrijft zijn ogen nog eens uit. ‘Een paard!’ zegt hij, en
nog eens, luider nu, ‘Een paard? Sinds wanneer staat hier een
paard?’
Het
paard is metershoog en van steen. En het praat. Een donkere stem glijdt
langs de museummuren: 'Ik sta hier al jaren. En ik zie jou elke morgen
hier binnenkomen met je plumeau en je blauwe uniformjasje. Ik zie
dat je alle beelden telt en mij altijd vergeet, dat je de vochtigheid
controleert en de lampen aanklikt die hun zachte licht over mij en de
andere kunstvoorwerpen laten schijnen.'
De
suppoost weet niet waar hij zich het meest over moet verbazen. Een
sprekend paard, dat is nog tot daar aan toe. In de
vijfentwintig jaar dat hij op ‘Moderne Kunst’ staat, heeft hij de nodige
objecten bewaakt om te beseffen dat zich tussen kunst en kunst een
in beginsel onbevattelijke ruimte bevindt die enkel met de gave van de
verbeelding te bevatten is. Hij heeft wekenlang naast een aquarium
gevuld met stront gestaan en zelfs een volle klas middelbare scholieren
wist hem niet tot het geringste wenkbrauwfronsen te bewegen.
Maar
een levensgroot paard dat beweert hier al jaren te staan? Op zíjn
afdeling? Dat werd te gek.
‘Moet
u eens even heel goed luisteren, mijnheer – of mevrouw, ik heb nog
niet de gelegenheid gehad uw onderzijde aan een nader onderzoek te
onderwerpen - ik weet niet waar u vandaan komt en wie of wat u hier
vannacht heeft neergezet, maar voordat hier de deuren openen, voordat de
directeur haar dagelijkse rondje maakt, dient u verdwenen te zijn, weg
van hier, de plaat gepoetst, hebt u dat begrepen?’ De suppoost was
heldhaftig recht onder het hoofd van het paard gaan staan en keek het nu
diep in de afgebolde oogkassen.
Het
paard bewoog zich niet. Maar wel klonk zijn stem. Hij lachte.
‘Mijnheer de suppoost, ik zweer het u, ik heb op deze plek al
duizenden keren het zonlicht zien komen en zien gaan, de maan zien
klimmen en zien dalen, uw mankepoot horen naderen over de trap naar
hierboven. U bent abuis!’
De
suppoost was even van streek. Hoe wist het paard dat hij mank was?
‘Onmogelijk’,
zei hij ferm, maar hij kon een trillen in zijn stem niet voorkomen. ‘U
moet hier weg en wel subiet.’
‘Stel’,
sprak het paard weer, ook al bleven haar stenen kaken stijf op elkaar.
‘Stel de directeur komt hier straks in haar felrode mantelpakje –
aha, ik zie het aan uw gezicht, ze heeft deze week haar rode pakje aan,
u bent net zo bekend met haar wekelijks wisselende maar voorspelbare
kleurenpatroon als ik – stel, ze komt hier langs en ze ontdekt niets
bijzonders, geen enkele afwijking in deze museumzaal, gelooft u mij dan
wel?’
De
suppoost zweeg. Hij moest even nadenken. Het ging nu allemaal wel erg
snel. Het paard kon onmogelijk gelijk hebben. Maar stel nu eens dat er
vannacht toch een levering was geweest, dat ze hem vergeten hadden in te
lichten, dat er uit St. Petersburg of Parijs een object was gearriveerd
voor een tijdelijke expositie? Als hij de onwetende suppoost zou zijn, zou hij een slecht figuur slaan bij zijn baas.
‘Oké
dan’, zuchtte hij. ‘Blijft u maar staan. Dan zal zo meteen de
directeur zelf u wel sommeren het pand te verlaten.’ Het paard gromde
goedkeurend.
De
suppoost ging op zijn stoeltje zitten, schuin tegenover het paard. Hij
wist zeker, hij wist bíjna zeker dat het uitzicht er veel anders uitzag
dan normaal. Hij kon van hier toch altijd naar buiten kijken, de
kerktoren zien? Of…
De
driftige stapjes van de hoge directeurshakjes kwamen snel naderbij. Hij
hield de adem in.
De
directeur mompelde goedemorgen, keek vluchtig door de zaal. Haar blik
bleef hangen op het paard. Ze liep er snel op af, ging op haar tenen
staan, wreef met haar wijsvinger over zijn manen en keek vervolgens naar
het resultaat. ‘Van Dinteren, je hebt het paard niet goed
afgestoft!’ Ze draaide zich om en liep de zaal uit. De suppoost zat
als versteend op zijn stoel. Terwijl hij de directeur met open mond nakeek,
zag hij nog net hoe het paard een knipoog gaf.
|