Bescheiden broeder, virtuoos organist

Elbert Franssen was een jonge vent uit Well met een passie voor muziek. Ergens rond 1890, hij was een jaar of 17, gold er voor hem maar één manier om zich verder te bekwamen: les nemen bij een autoriteit. Hij had het geluk dat zo’n bekwaam muziekpedagoog niet zo heel ver van hem vandaan woonde: in Boxmeer.
Vandaag de dag laat een puber die topsporter of musicus wil worden zich even wegbrengen door pa of ma. Well-Boxmeer, da’s een autorit van 22 minuten, zo leert ons Google Maps. Of drie kwartier met de bus. Maar ja, het was 1890, hè. Zelfs de Maas-Buurtspoorweg was er nog niet. Dus voor de jonge Wellenaar zat er niets anders op dan één keer in de week te voet naar Boxmeer te gaan. Een tippel van 3 uur en 40 minuten. Als het voetveer voer tenminste. En dat wist je nooit met die wispelturige Maas. Anders moest ie naar Gennep lopen, de Maas over met het Duitse Lijntje, en dan stap voor stap op Boxmeer aan.
Het was allemaal niet voor niets. Elbert Franssen (1873-1950) zou uitgroeien tot een van Limburgs bekendste componisten en koorleiders. Dankzij zijn talent natuurlijk, maar ook door die wekelijkse wandeling naar de Steenstraat in Boxmeer, waar broeder Gregorius van Dijk (1816-1894) woonde in het karmelietenklooster.
Van Dijk, geboren als Alexander in Kleef, was beroemd vanwege zijn orgelspel. Piano en viool beheerste hij ook, maar op het orgel excelleerde hij. Aanvankelijk verdiende hij de kost als muziekleraar, maar de roep van het Hogere kon hij niet weerstaan en op 6 mei 1843 werd hij in het Boxmeerse klooster als broeder Gregorius opgenomen. Het was een warm nest voor een musicus. In dit klooster had immers zijn illustere voorganger, componist en organist Benedictus Buns (1642-1716), meesterwerken geschreven.
Gregorius was een bescheiden man die het liefst in zijn eentje op het kerkorgel zat te pielen. Zijn spel was zo wonderbaarlijk mooi dat mensen zich achter een pilaar verstopten om stiekem te kunnen luisteren. Als Gregorius het ongewenste publiek ontdekte, liep hij boos de kerk uit.
Ruim vijftig jaar woonde Gregorius in het klooster. Hij vergaarde roem als organist, maar ook als muziekleraar en orgelkenner. Op 11 januari 1894 overleed hij. Het was nog te vroeg voor de jonge Elbert om grote woorden aan het verscheiden van zijn leermeester te wijden. Vijftien jaar later kwam dat moment alsnog: ‘Het was zoo’n heerlijk genot, zoo’n niet te beschrijven geluk, als de beminde meester zich aan ’t orgel, zijn dierbaar instrument, plaatste, fantaseerende, sprekende ’n tale, die niet was van deze wereld, een tale die, hoe jammer ook, met hem ten grave moest dalen.’
Er wordt gezegd dat de musicerende monnik op het tafereel dat schilder Johannes Bosboom (1817-1891) maakte (zie foto), broeder Gregorius voorstelt. Zeker is dat Bosboom scènes uit het Boxmeerse klooster schilderde. Maar of het Gregorius is? Was die niet veel te bescheiden voor zo’n pose? Omdat Bosboom ook in het klooster in Megen werkte, kan de scène ook dáár hebben plaatsgehad. Het schilderij hangt in het Museum voor Religieuze Kunst in Uden. Het Rijksmuseum bezit enkele afgeleide prenten.

Bij de foto: Schilderij (detail) van Johannes Bosboom, voorstellende een monnik die een orgel bespeelt, vermoedelijk te Boxmeer of Megen. Te zien in het Museum voor Religieuze Kunst Uden

Dit is aflevering 44 van de historische rubriek Sprekend Verleden die elke maandag in de editie Maasland van De Gelderlander verschijnt. Daarin gaat Geurt Franzen op zoek naar het verhaal achter voorwerpen en documenten die zijn overgeleverd uit de rijke geschiedenis van Oost-Brabant en Noord-Limburg.