Jan

Jan en zijn handbike hoorden bij de inventaris van het dorp. Op Oudjaarsdag scheurde hij met zijn hand-aangedreven rolstoel nog langs de Julie Postelsingel. Ik steek mijn hand omhoog ter begroeting, maar Jan ziet me niet, te druk met het ontwijken van een man met hond.
En nu is hij dood.
Een dorp ademt moeizaam verder zonder het geluid van Jans wielen over het asfalt, zonder Jans behaarde gezicht dat zich opent in een vriendelijke grijns als hij je herkent. Heui Jan. Nooit meer heui Jan.
Het was Jan die me op de schouder tikte: ‘Jongens, dat moeten jullie buiten maar doen’. Op zachte, maar besliste toon. Dat dat meisje en ik tijdens die disco-avond in het Haarhuis echt niet open en bloot konden gaan zitten zoenen.
Als Jan iets zei, was één woord genoeg. Eén woord en die grijns, die vriendelijkheid aan onverzettelijkheid paarde. Dan sloeg je dat restje sneeuwwitje achterover en verkaste je met je kersverse verovering naar buiten.
Later, toen we achttien waren, mochten we meedoen van Jan. Een zaaltje werd omgebouwd tot ‘open jongerencentrum’. Daar hadden wij het voor het zeggen. Tenminste… Jan gaf ons dat idee. Hij hield ons echt wel in de smiezen. ‘Open’ betekende vooral dat niemand zich stoorde aan je inname van alcohol, nicotine of wiet. En zeker niet aan het volume van je muziek. Vond Jan alles goed? Nee. Maar Jan wist dat grenzen soms van elastiek moeten zijn.
Toen was iedereen ineens oud en werd Jan van Neerven die meneer van De Weijer. Op eigen kracht, met niet veel meer dan die vriendelijke grijns, hield hij het sociaal-cultureel centrum drijvend in woelige baren.
Iedereen wordt gemist als je er niet meer bent. Sommigen iets meer dan anderen. Heui Jan.

Foto: Ed van Alem

Geurt Franzen schrijft tweemaal per week (woensdag en zaterdag) de column Dwarskijker voor de editie Maasland van De Gelderlander