Geroofde kerkklokken keren terug

Het is moeilijk te ontcijferen, het document dat de Velpse pastoor Bernardus Derixsen in 1699 opstelde. Een opdracht met voorwaarden aan klokkengieter Jan Fremy (1641/1642-1705). Die zal voor Velp een luidklok gieten. Derixsen heeft geen beunhaas uitgekozen, Jan Fremy is een vakman. De Fransman stamt uit Lotharingen, de bakermat van veel vakkundige gieters. Hij is naar Nederland verhuisd en woont in Woensel, bij Eindhoven.
De pastoor stelt beste hoge eisen. De nieuwe klok moet negenhonderd pond wegen en de klank moet passen bij de al aanwezige klok uit 1675. Fremy moet ‘voor eigen gevaar’ de klok in de kerktoren zien te krijgen. Die van Velp stellen wel kar en paard ter beschikking, mocht dat nodig zijn. Mislukt het gieten van de klok – ‘dat God verhoeden wil’, zo schrijft de pastoor – dan moet Fremy voor eigen rekening maar een nieuwe maken. Honderd gulden, vergelijkbaar met 800 euro nu, krijgt hij voor de klus.
Fremy levert een klok met een diameter van 98 centimeter en een gewicht van zo’n 600 kilo. Volgens goed gebruik krijgt die een inscriptie mee: Sancta Maria Ora Pro Nobis (Heilige Maria, bid voor ons), gevolgd door de namen van de pastoor, twee kerkmeesters en de gieter zelf.
Tot in de Tweede Wereldoorlog houdt de klok vanuit de oude Sint Vincentiuskerk de Velpse gelovigen op de hoogte van voor- en tegenspoed. En van het begin van de heilige mis natuurlijk. Eind 1942 staat deze, en de andere klok, eenzelfde lot te wachten als bijna alle Nederlandse kerkklokken. De Duitsers hebben brons nodig om kanonnen van te gieten en vorderen de klokken in. De aannemer die de Maria-klok op oudjaarsdag 1942 uit de Velpse kerk takelt, geeft het parochiebestuur wel een keurig bewijs van ontvangst (foto).
De grootschalige klokkenroof heeft een oogst van circa 6.700 klokken. Ze worden naar Duitsland getransporteerd waar ze, onder andere in Hamburg, worden omgesmolten tot kanonnen. De klokkenroof hapert echter. Rond de tweeduizend klokken blijven achter op een stuk of wat verzamelplaatsen in Nederland.
Na de oorlog denkt het Velpse parochiebestuur dat ook de twee geroofde klokken zijn omgesmolten. Maar dan komt er bericht uit Tilburg: beide klokken zijn blijven ‘steken’ op een treinemplacement. Ze keren terug naar Velp.
Het dorp heeft in 1937 een nieuwe kerk gekregen. Met in het torentje een uitsparing voor een klok. Er lag nog een plan om een echte kerktoren te bouwen, maar daar komt het niet van. De architect feliciteert de pastoor met de terugkeer van de verloren gewaande klokken. Maar hij adviseert de grote klok, die aan Maria gewijd is, niet in de nieuwe kerkgevel te hangen. Het metselwerk zal de trillingen niet kunnen verdragen.
Toch hangt de klok uit 1699 op een pontificaal plekje in Velp zijn ding te doen. Die van Velp bouwden een aparte klokkenstoel en die staat, sinds 19 september 1990, vóór de kerk, gewoon op de grond. Zodat er tóch geluid kan worden.
(Met dank aan Jan Timmermans)

Dit is aflevering 36 van de historische rubriek Sprekend Verleden die elke maandag in de editie Maasland van De Gelderlander verschijnt. Daarin gaat Geurt Franzen op zoek naar het verhaal achter voorwerpen en documenten die zijn overgeleverd uit de rijke geschiedenis van Oost-Brabant en Noord-Limburg.