Hapsenaren moesten meewerken of dokken

In de zomer van 1927 wordt in Haps een wagon vol sintels afgeleverd.Dat zijn afvalresten uit zinkmijnen die in die tijd veel worden gebruikt om de ondergrond van wegen te versterken. Ze zijn besteld door het gemeentebestuur. De wagon wordt, zo melden burgemeester en wethouders tevreden aan de gemeenteraad, met behulp van hand- en spandiensten geleegd.
Hand- en spandiensten, dat noemen we vandaag de dag de onbaatzuchtige hulp van familie, buren of vrienden. Maar in de jaren twintig was er weinig onbaatzuchtigs aan. Het gemeentebestuur van Haps kon elke dorpeling voor hand- en spandiensten oproepen en kwam hij niet – het was vooral de spierkracht van mánnen waar het gemeentebestuur om verlegen zat – dan werd het belasting betalen.
In het archief in Den Bosch ligt nog een Haps kohier (zie foto), een lijst met namen van belastingplichtigen, dat een inkijkje geeft in die verplichte vorm van meewerken. Officieel heet het: Kohier der belasting in natura bestaande uit de verplichting tot het leveren van hand- en spandiensten bij het aanleggen, herstellen of verbeteren van gemeentewegen en voetpaden.
De gemeenteraad van Haps had in 1925 de verordening op de levering van hand- en spandiensten ingevoerd. Een maatregel die wel meer gemeenten namen die zich met een krappe begroting en een belabberd wegenstelsel geconfronteerd zagen. Beugen en Rijkevoort en Vierlingsbeek bijvoorbeeld verplichtten ook op deze manier inwoners om mee te werken aan het opvullen van de kuilen in de wegen.
Hand- en spandiensten, in feite zijn dat twee diensten. Handdienst is de spierkracht van de mens zelf en de spandienst is de levering van een paard en een kar waarmee het werk kan worden gedaan.
Wie geen zin had om de handen uit de mouwen te steken, kreeg een aanslag. H. Aldenhoven, die aan ’t Loo woonde, koos ervoor om te betalen, zo valt op te maken uit het kohier. H. Arts en C. Arts hebben meegewerkt, J.A. van Dijk, van de Laarakker, was om onbekende redenen vrijgesteld en achter de naam van J. Goossens, die woonde aan de Sint Hubertseweg, staat genoteerd ‘gaf op te oud te zijn’.
Wat kostte dat nou, als je ‘nee’ zei tegen een oproep van de burgemeester om een dag mee te werken aan het opknappen van een boerenweggetje? Twee gulden. Naar huidige maatstaven is dat zo’n 15 euro.
Het vergde nogal wat administratie, bijhouden welke inwoners hadden meegwerkt, vervolgens aanslagen opleggen en erop toe te zien dat ook daadwerkelijk betaald werd. Misschien wogen de kosten van de uren van een ambtenaar wel niet op tegen de baten. Feit is dat de Hapse hand- en spandiensten slechts vijf jaar hebben bestaan.
In die jaren kende Haps overigens nóg een bijzondere belasting. Ook de opbrengst daarvan werd gebruikt om kuilen en gaten te dichten. Dat was een bomenbelasting. Boeren die langs akkers en erven bomen hadden geplant, die in de gemeentelijke wegberm stonden, moesten per boom jaarlijks 10 cent betalen. Ook de bomenbelasting hield het niet zo lang vol. Misschien omdat een dwarse boer nogal eens de zaag zette in zo’n populier of eikenboom.

BIJSCHRIFT:
Het kohier van de belasting in natura van de gemeente Haps, uit 1926, bewaard in het BHIC te Den Bosch. Foto: Geurt Franzen

Dit is aflevering 32 van de historische rubriek Sprekend Verleden die elke maandag in de editie Maasland van De Gelderlander verschijnt. Daarin gaat Geurt Franzen op zoek naar het verhaal achter voorwerpen en documenten die zijn overgeleverd uit de rijke geschiedenis van Oost-Brabant en Noord-Limburg.