Met paardenkracht van Grave naar Mill

Honderdvijftig jaar geleden was het nog niet zo eenvoudig om van een dorp in de regio wat verderop te komen. Alles ging met de benenwagen of met kar en paard. Wie niet al te breekbaar was, en over tijd en geduld beschikte, kon zich laten verplaatsen per koets. Er waren wagendiensten, qua aantallen passagiers vergelijkbaar met de huidige buurtbussen, die volgens een vaste dienstregeling per rijtuig van dorp naar dorp reden.
Vrij snel nadat in 1878 de eerste spoorlijn in de regio werd geopend, die tussen Boxtel en het Duitse Wesel, met stations in onder meer Mill en Gennep, werd de behoefte aan wagendiensten groter. De inwoners van Grave bijvoorbeeld wilden ook wel met de trein. Zo ontstond de wagendienst Grave-Mill. In het Noordbrabants Museum in Den Bosch herinnert een haltebord (foto) nog aan een van de haltes waar de koets stopte: die van herberg ‘Halfweg’ in Langenboom.
Twee keer per dag reed de koets op en neer tussen hotel De Gouden Leeuw in Grave en het treinstation in Mill. In advertenties werd de reiziger erop gewezen dat de dienstregeling ‘correspondeerde’ met die van de spoorwegen. Zodat de reislustige streekgenoten er redelijkerwijs op konden vertrouwen dat ze aansluiting kregen.
In het rijtuig, uiteraard getrokken door paarden en door de Graafse exploitant Peter Cremers een ‘omnibus’ genoemd, was plaats voor acht personen. Een rit kostte zestig cent per persoon (tegen de huidige waarde zou dat zo’n 6 euro zijn). Voor goederen betaalde je een cent per kilo. De koets vervoerde ook de post. De reis van Grave naar Mill, over een hobbelige grindweg, duurde anderhalf uur. Je kon in Grave om 7.30 en 14.30 uur opstappen; terugreizen vanuit Mill was mogelijk om 11.30 en 18.30 uur. Later kwam er ook een verbinding tussen Mill en Sint Anthonis over Wanroij.
Halteplaats ‘Halfweg’, in de buurt van ’t Hoekje in Langenboom, was behalve café ook bakkerij en winkel. In de middag van 6 augustus 1881 speelde zich er een klein drama af. De postbesteller van Escharen, Tjalling Gerritsma geheten, herkende in het café een man die door justitie werd gezocht. Het was Gerard Jansen uit Beers. Een 31-jarige dief die al enige tijd het Land van Cuijk en omstreken onveilig maakte. Jansen zat er heel brutaal zomaar een boterham te eten. Gerritsma, een onverschrokken oud-militair, wilde de dief aanpakken, maar Jansen trok een revolver, schoot de brievenbesteller neer en ging ervandoor. Gerritsma overleefde de aanslag. Het dagblad De Tijd noteerde later: ‘Men koestert de hoop, dat de minister van Justitie, bij de honderd gulden pensioen, welke Gerritsma als oud-militair geniet, ter beloning van zijn dapperheid zooveel zal voegen, dat de trouwe arme man gedurende zijn geheel leven, zijn moed en trouw voor het gerecht niet behoeft te betreuren.’
Een klopjacht op Jansen begint, die op 24 augustus eindigt in Well. Marechaussée Sluier overmeestert de Beerse boef. Opnieuw vallen er schoten, maar dit keer zonder ernstige gevolgen. Jansen wordt opgesloten in Den Bosch, waar hij zijn veroordeling niet afwacht. Een paar dagen later hangt hij zich op in zijn cel.

BIJSCHRIFT: Het haltebord van de wagendienst Grave-Mill dat aan de herberg in Langenboom hing. Foto: Noordbrabants Museum den Bosch

Dit is aflevering 28 van de historische rubriek Sprekend Verleden die elke maandag in de editie Maasland van De Gelderlander verschijnt. Daarin gaat Geurt Franzen op zoek naar het verhaal achter voorwerpen en documenten die zijn overgeleverd uit de rijke geschiedenis van Oost-Brabant en Noord-Limburg.